KliQ vzw werkt in opdracht van Sport Vlaanderen een brochure uit over transgenders in de sport. De brochure wil sportfederaties en –clubs richtlijnen en tips aanreiken om een transgendervriendelijker beleid te voeren.

Ik ontmoet Arend Vandecasteele (39) in de fitnesszaal waar hij al jaar en dag traint. Aan zijn transitie heeft niemand hier veel woorden vuilgemaakt. Ook hijzelf niet. “Ik kom hier om te sporten. Ik ben transgender. Punt.”

Hoelang fitness je al?
Arend: “Ik train al 20 jaar en heb dat ook tijdens mijn transitie gedaan. Ik ben nu 39 en heb op mijn dertigste mijn coming-out gedaan. Ik heb dus voor, tijdens en na mijn transitie getraind in deze zaal (Karteria Paal, red.). In de fitness kan ik echt mijn ei kwijt. Dan doe ik mijn koptelefoon aan, zet mijn muziek op en sport een uur intensief.”

Hoe vond je het om hier te sporten tijdens je transitie?
“Ik kom hier in de eerste plaats om te sporten, niet om sociale contacten uit te bouwen. Grote vriendschappen heb ik hier dus niet opgebouwd en van veel mensen weet ik niet hoe ze over mijn transitie denken. Ik heb er ook geen grote speech over gegeven.”
“Je merkt natuurlijk wel dat de mensen ‘iets’ zien. Sommigen praten weleens met mij of onder elkaar, dus op den duur wist iedereen wel hoe het met mij ‘zat’. Niemand heeft mij er echter ooit negatief over aangesproken. Sommigen zeiden: ‘Tof. Als jij je daar goed bij voelt, dan moet je dat doen.’ Anderen keken wat verbaasd. Maar het lijkt me redelijk menselijk dat je kijkt als er iets te zien valt.”

Als iemand je er rechtstreeks over aanspreekt, spreek je dan in alle openheid?
“Als iemand het vraagt op een respectvolle manier, dan zal ik ook respectvol antwoorden. Ik tatoeëer het niet op mijn voorhoofd, maar ik ben nu eenmaal transgender. Daar schaam ik me niet voor en verstoppen wil ik me ook niet. Het is wat het is. Ik kom trouwens op tv en in de krant en ik leid een vereniging (Anders Gewoon, red.), dus ik ben actief met het onderwerp bezig.”

Sommige transgenders die een transitie achter de rug hebben, zetten liever een stap opzij en verlaten het verenigingsleven. Jij niet.
“Dat merken wij in onze vereniging ook. Zelf heb ik dat niet gedaan, omdat we als transgenders enkel kunnen werken aan sensibilisering als we ook zichtbaar zijn. Anders ‘besta’ je niet. Ik heb bovendien het geluk om er passabel uit te zien. Ik vind het krachtig om dan te kunnen zeggen: ‘Ook ik ben transgender en verdien een plaats in deze maatschappij.’”

“Ik geloof overigens niet dat je kan leven zonder dat ooit nog te moeten zeggen, hoe graag je dat ook zou willen. Bovendien kost het voor veel mensen een pak energie om in die stealth modus te blijven (niet uitkomen voor je transgender-zijn, red.). Andere transgenders doen er alles aan om het te verbergen maar vroeg of laat ‘komt het aan het licht’, want de wereld is klein. Zelf ga ik ervan uit dat iedereen het weet, en dat maakt mij rustig.”

“Verstoppen wie ik ben lijkt mij onhaalbaar. Eerst schaam je je om wie je bent. Tijdens of na een transitie zou je je dan moeten schamen om wat je op dat moment bent? Dan ben je je hele leven bezig met je te schamen!”

“We moeten fier zijn op onze ‘perfecte onvolmaaktheid’. Veel transgenders verstoppen zich omdat ze onzeker zijn, zich afvragen wat anderen denken, het gevoel hebben dat ze nog niet ‘klaar’ zijn: nog niet ‘echt man’ of ‘echt vrouw’ zijn. Maar wat houdt dat in? Het is een onrealistisch ideaalbeeld. Ook niet elke biologische man of vrouw ziet er ‘perfect’ uit en de fallus van een transman ziet er niet uit als de ‘gewone’ mannelijke penis. Maar op een bepaald moment moet je toch de stap zetten om weer naar buiten te komen.”

Had sport een bijzonder belang tijdens je transitie?
“Sport is voor mij altijd al een uitlaatklep geweest. Als ik fitness, dan bestaat heel even alleen dát. Voor even denk je niet aan een transitie, niet aan anderen, en doe je gewoon je ding. Veel mensen staan tussen de toestellen gezellig wat te babbelen. Ik niet. Ik zeg wel goeiedag of ik geef een hand, maar ik ben vooral intensief bezig.”
“Ik zou iedereen aanraden om aan sport te doen, of je je nu voor, in of na een transitie bevindt. Het genderbinaire van veel groepssporten maakt het zeker niet altijd evident, maar ik denk dat je door goede communicatie en een goede attitude wel ver kan komen. Communiceren moet je natuurlijk kunnen en durven. En je moet op je strepen durven staan. Zo niet, trekt men zich al snel terug in een comfortzone: ‘Man of vrouw, iets anders hebben we hier niet. Bekijk het dan maar.’ Dat gebeurt, jammer genoeg.”

Heb je altijd al gesport?
“Al sinds mijn twintigste fiets ik. Ik heb ook een tijd gekickbokst, maar mijn onregelmatige leven stak stokken in de wielen. Ik werk voor de federale politie. Mijn beroep en mijn werkuren maken de uitoefening van groepssporten heel moeilijk. Toch moet je als politieagent een beetje conditie hebben dus fitness was voor mij de perfecte oplossing om fysiek op peil te blijven.”
“Voor mijn transitie moest ik me professioneel nog meer fysiek ‘bewijzen’, want toen was ik een vrouw binnen de rijkswacht (in 2001 opgegaan in de federale politie, red.). Ik ben aan de slag gegaan bij de rijkswacht in 1998 en heb heel hard moeten trainen om het gewenste niveau te halen.”

Ben je al moeten stoppen met fitnessen?
“Ja, door blessures of operaties. Dat vind ik altijd vreselijk. (lacht) Ik probeer die tijd zo kort mogelijk te houden.”

Hoe heb je de invloed van hormoontherapie gemerkt?
“Ik woog 55 kilo en ben geleidelijk naar 70 kilo gegaan. Die toename is uitsluitend het gevolg van hormonen, want ik train op dezelfde manier als voor mijn transitie.”

De nieuwe IOC-richtlijnen laten transmannen onvoorwaardelijk toe in de mannencompetities. Nochtans kunnen ook testosteronwaarden de pan uitrijzen.
“Bij transmannen, of zeg maar ‘mannen’, mogen je testosteronwaarden inderdaad ook niet te hoog zijn. Maar dan hebben we niet meer over gender, dan hebben we het over misbruik van hormonen. Dat vind je zowel bij cismannen (mannen die als man geboren zijn, red.) als bij transmannen. Ik kan me perfect vinden in de nieuwe IOC-richtlijnen (die nog niet officieel van kracht zijn, red.). Uiteindelijk controleren ze ook nu al testosteronniveaus bij zowel vrouwelijke als mannelijke sporters.”

Hoe denk je over de man-vrouwindeling in de sport?
“Ik denk dat we moeten afstappen van louter op het geslacht gebaseerde categorieën, want uiteindelijk doet het geslacht er niet toe. Waar het om gaat, zijn de testosteronniveaus. Die bepalen hoe sterk en hoe snel je bent. Niet je vagina of je penis. Als men de limieten daarop baseert, dan zal je een faire wedstrijd krijgen. Wat mij betreft mogen de man-vrouwcategorieën dus worden afgeschaft.”

Is de sportwereld daar klaar voor?
“Door regelgeving die op controle van hormonenlevels is gebaseerd, evolueert het IOC (Internationaal Olympisch Comité) in elk geval al een klein beetje in die richting. Toch zitten we maatschappelijk nog heel sterk in dat binaire man-vrouwverhaal en dat vind ik ontzettend jammer. De maatschappelijke normen die verbonden zijn aan het zogezegde ‘man’ of ‘vrouw’-zijn vind ik heel vermoeiend. Niet alleen voor transgenders trouwens, ook voor cisgenders. Veel mensen voelen zich niet goed omdat ze denken te moeten voldoen aan een opgelegd beeld. Daar kunnen zowel cis- als transgenders onder bezwijken.”

Sommige transseksuelen verlangen nochtans naar ‘dat andere hokje’ binnen het binaire kader.
“Inderdaad. Zelfs binnen de transgendergemeenschap zijn de meningen sterk verdeeld over de ‘m’, de ‘v’ en de eventuele ‘x’ om het geslacht aan te duiden. Veel transmannen en –vrouwen zeggen: ‘Ik wil die ‘m’ en die ‘v’ behouden omdat ik er zo voor heb afgezien. Ik heb die ‘m’ of die ‘v’ ‘verdiend’.’ Ik vind dat daar niets aan te ‘verdienen’ valt, dus voor mij persoonlijk liever niet. Het strookt niet met mijn gevoel.”
“Onze maatschappij spitst de definitie van man en vrouw sterk toe op het biologische geslacht maar gaat het daar wel om? Wanneer beschouw je een geslachtsorgaan bijvoorbeeld als een penis? Als het twee centimeter lang is? Vijf centimeter? Vijftien centimeter? Zulke vragen kunnen cisgenders nerveus maken. Ben ik nog wel heteroseksueel als ik val op een niet-geopereerde man? Hoe langer ik er zelf over nadenk, hoe fluïder de begrippen ‘man’ en ‘vrouw’ voor mij worden.”
“De opdeling man-vrouw lijkt bijna heilig in deze maatschappij en toch is er niets minder standvastig dan dat. De invulling van mannelijkheid en vrouwelijkheid zijn enorm afhankelijk van tijd, plaats en cultuur. Reis duizend kilometer verder en iets wat daar voor mannen is, is hier voor vrouwen en omgekeerd.”

De binaire opdeling is ook aanwezig in de sportinfrastructuur: mannendouches, vrouwendouches. Hoe ben jij daarmee omgegaan tijdens je transitie?
“Van zodra ik baardgroei kreeg, ging ik niet langer bij de vrouwen binnen, zowel in de fitness als op het werk. Voor mij zou het anders mogen maar in deze maatschappij wordt baardgroei nu eenmaal als een duidelijk teken van mannelijkheid beschouwd.”
“Ik heb het gebruik van kleedkamers in de fitness nooit besproken maar op het werk wel. Ik heb gevraagd of het oké was om bij het begin van mijn transitie bij de vrouwen te blijven gaan, ook al noemden ze me toen al ‘Arend’. Ik voelde een zekere veiligheid uitgaan van de vrouwenkleedkamers. Het was voor mijn collega’s geen probleem. Eens de baardgroei kwam, heb ik aan de mannelijke collega’s gevraagd of ik in hun kleedkamer mocht, ook al was mijn transitie nog niet afgerond. Ze hadden daar een relativerende houding over: het zijn maar kleedkamers, hé! Zo denk ik er ook over. In die ruimtes doe je uiteindelijk niet meer dan naar het toilet gaan en je omkleden. Ik vind dat we moeten afstappen van dat grote taboe rond die binaire kleedkamers en toiletten.”

Maar blijkbaar is die maatschappelijke gevoeligheid er wel.
“Ja, en ik begrijp dat niet. Welke mysterieuze dingen gebeuren er toch allemaal in die (andere) toiletten en kleedkamers? Voor mij mogen ze die allemaal samenvoegen. We zijn allemaal naakt geboren en we gaan allemaal naakt dood. En alles wat daartussen gebeurt, is ooit strak en gaat daarna hangen, wordt dikker en dan weer dunner. Ja, op een bepaald moment stond ik met een vagina in de mannenkleedkamer. Dat is dan maar zo.”

Begrijp je dat sommige transgenders liever aparte voorzieningen gebruiken tijdens een transitie?
“Als anderen zich daar goed bij voelen, is dat voor hen de beste keuze. Persoonlijk heb ik daar geen behoefte aan, omdat ik er niet wil van uitgaan dat je de goedkeuring van de maatschappij nodig hebt om je goed te voelen.”

Dat je zo losjes omgaat met kleedkamergebruik lijkt een gunstige invloed te hebben. Toch vergt dat een zekere assertiviteit of minstens een zeker zelfvertrouwen.
“Absoluut, en dat is inderdaad niet voor elk transgender makkelijk. Je hebt immers een lange strijd gevoerd met je lichaam of je doet dat nog steeds. Die schaamte, die onrust, dat negatief gevoel over je lichaam kan er diep ingebakken zitten. Mogelijk straal je dat ook uit, mensen kunnen die energie oppikken. Toch vind ik dat jammer. Ik heb immers nog nooit een cisvrouw zich horen verontschuldigen omdat ze grote borsten heeft, of kleine borsten, of grote of kleine schaamlippen. Waarom moeten cisgenders zich niet verontschuldigen maar zouden transgenders dat wel moeten doen? Een heel dikke man heeft meer borsten dan ik vroeger ooit had! Wat is het verschil dan? Je moet fier zijn op wie je bent. Net zoals elke cisgender dat ook mag of moet zijn.”

Wat is je advies aan sportclubs op vlak van infrastructuur?
“Van toiletten vind ik dat ze uniseks moeten zijn. Maak een nieuw bordje dat aangeeft waar de potten en waar de urinoirs zijn. Een dergelijke signalisatie is genderneutraal. Wat kleedkamers en douches betreft, zou ik zeggen: ga na waar een transgender lid zich goed bij voelt. Een open dialoog met de andere gebruikers lijkt me ook belangrijk: vind je het oké dat… ?”

Wanneer is je innerlijk conflict begonnen?
“Als kind wist ik al dat wat ik leuk vind blijkbaar niet ‘past’ bij een meisje maar ik wist toen nog niet wat dat betekende. Ik wist dat ik ‘jongensdingen’ leuk vond, dat ik geen borsten wilde, dat ik liever een penis had gehad en dat ik geen kinderen wilde. Ik stak ook altijd een zakdoek in mijn broek, zodat het leek alsof ik een penis had. Maar uitspreken ‘Ik ben een jongen’, dat deed ik niet op die leeftijd. Het borrelde alleen onderhuids.”
“Pas op mijn dertigste, tijdens een gesprek met mijn vader over mijn jeugd, zei ik: ‘Ik voelde mij precies altijd een jongen’. Mijn vader antwoordde: ‘Misschien ben je dan ook gewoon een jongen en ben je transgender?’ Dat moment heeft voor mij alles in gang gezet.”

Het lijkt me eerder uitzondering dan regel dat een ouder zo’n beslissende aanzet geeft.
“Ja, dat wel. Ik heb hem geantwoord: ‘Had je dat niet wat vroeger kunnen zeggen?’ (lacht) Toen ik nog heel klein was en mijn moeder er op een bepaald moment achter kwam dat ik een zakdoek in mijn broek stak, heeft ze mij een draai om mijn oren gegeven en gezegd dat ik niet zo flauw moest doen. Zo werkt het vaak. Je wordt gesocialiseerd en geconditioneerd en je onderdrukt dingen die ongewenst zijn. Want mama is niet blij, je vriendjes zijn niet blij en het past niet in je groep. Zo steek je het altijd maar dieper weg totdat het op een bepaald moment openbarst als een etterende wonde.”

Hoe zijn je coming-out en je transitie verlopen op het werk?
“Ik heb een heel hiërarchische weg gevolgd. Ik ben met iemand van de vakbond naar de directeur gegaan. Die heeft de officieren en de chefs ingelicht. Pas toen die allemaal op de hoogte waren, heb ik ook het basiskader ingelicht.”
“In feite zijn er weinig problemen opgedoken. Ik heb er ook geen mensen door verloren of mensen mee gewonnen. Ik vond het gewoon belangrijk om eerlijk te zijn en een open dialoog aan te gaan. Er zullen altijd mensen zijn die het niet begrijpen en dat ook zeggen en dat vind ik ook oké. Als je respect wil, moet je het zelf ook geven.”

Een andere sportende transpersoon gaf aan dat ze na een incident van ernstig fysiek geweld niet naar de politie is gegaan ‘omdat ze je toch maar uitlachen’. Wat denk je daarbij als politieagent?
“De aangiftecijfers van geweld op transgenders liggen ontzettend laag. Ik denk dat 60 à 70 procent niet naar de politie stapt. Van de overige 30 à 40 procent is drie vierde dan nog eens ontevreden over de behandeling door de politieambtenaar. Die cijfers zijn bekend en ik vind ze zéér betreurenswaardig. Maar ik blijf iedereen oproepen om wél aangifte te doen, want zonder aangifte komen er geen statistieken, et cetera.”
“De politie voert een transvriendelijker beleid, maar het gaat allemaal nog wat traag. De politieopleiding is hervormd en we weten nog niet goed waarin deze thematiek moet gekaderd worden. Ikzelf zit in een nationale werkgroep daarrond en geef workshops aan politiediensten maar het is een werk van lange adem om dit op elke politiedienst in te burgeren. Toch zijn er al een aantal eenheden die het op dit vlak heel goed doen: politie Antwerpen heeft bijvoorbeeld een heel actief holebi- en transgenderbeleid. Ook de politieschool Vlaams-Brabant is zeer goed bezig.”

De traditioneel ‘mannelijk’ geachte lichaamskenmerken worden door het fitnessen uitvergroot. Speelt dat een rol in je identiteitsontwikkeling?
“Dat is absoluut het geval. Het fitnessen geeft uitstraling aan een bepaald aspect van mezelf. En misschien bouwt het ook een bepaalde afstand in: als je wat breder bent, wat stoerder, misschien wat tatoeages hebt hier en daar, dan creëert dat een bepaalde barrière.”

Wat bedoel je precies?
“Als we spreken over de ‘typische’ man-vrouwbeeldvorming, dan kan ik zeggen dat mijn plaatje ‘klopt’. Mensen doorprikken niet zomaar mijn voorkomen. Het geeft me een zeker gevoel van veiligheid en dat vind ik gemakkelijk. Ik blijf er absoluut voorstander van om open te zijn over je transgender-zijn, maar ik kan niet ontkennen dat het fijn is dat mensen opkijken als ik zeg dat ik een transman ben. Mensen zeggen vaak: ‘Dat zie je toch niet?’. Nee, en dat moet toch ook niet? Als je het ziet, is het oké. Als je het niet ziet, is het ook oké.”

Maakt het je sociaal in zekere zin ‘sterker’, in een wereld die hoe dan ook genderbinair denkt?
“In zekere zin wel maar hoe je eruitziet en hoe je je voelt, dat blijven wel twee verschillende dingen. Ik durf niets te zeggen over de mate waarin ik mij man of vrouw voel. Ik voel mij ‘ik’. En zelfs met het uiterlijk dat ik heb (denkt lang na)… weet ik het vaak niet. Dus qua uiterlijk bouw ik een veiligheidszone in maar innerlijk is het allemaal niet zo duidelijk als wat mijn uiterlijk doet vermoeden. In zekere zin is het makkelijker maar in een andere zin niet.”

Bedoel je dat mensen soms verkeerde verwachtingspatronen aan je uiterlijk koppelen?
“Ja. Ik ben bijvoorbeeld een heel gevoelig iemand, vaak ook erg onzeker, maar dat zie je aan de buitenkant niet. En dat is misschien maar goed ook. Zeker in mijn job. Toch heb ik ook momenten waarin ik het allemaal niet goed weet. Is het oké dat ik dit of dat voel? Wat betekent dat precies, ‘een man zijn’? In welke richting evolueer ik? Het is een zoektocht naar identiteit die iedereen onderneemt maar die bij transgenders nog intensiever is. Ik geef eerlijk toe dat ik daar voor mezelf niet klaar mee ben.”

Nog even terug naar de sport. In vele sporttakken is de geslachtsregistratie op het paspoort doorslaggevend om een persoon in deze of gene reeks in te delen. Als de Wet betreffende de Transseksualiteit zou wijzigen en een verklaring bij de burgerlijke stand zou bijvoorbeeld volstaan om je geslachtsregistratie te wijzigen, waar moeten of kunnen de sportfederaties zich volgens jou dan op baseren?
“Alweer op testosteronniveaus. Stel dat men een ‘x’ zou invoeren, dan zal er toch geen aparte reeks voor die ‘x’ worden ingericht? Toch zullen de ‘x’en’ ook moeten ingedeeld worden. Volgens mij is de testosteronhuishouding dan hét criterium om op te oordelen. Dan kan het gerust zijn dat een persoon die er als vrouw uitziet samenspeelt met personen die er als man uitzien, maar op competitief vlak zal er niemand bevoorrecht zijn.”

Moet dat ook toegepast worden in de breedtesport, sport die door alle lagen van de bevolking beoefend kan worden op amateurbasis?
“Zolang er geen competitie bij komt kijken, vind ik dat de officiële geslachtregistratie en de testosteronniveaus van de persoon niet van belang zouden mogen zijn.”

Heb je tot slot nog een tip voor sportclubs?
“Treed mensen tegemoet zonder vooroordelen en neem ze zoals ze zijn. Als je dat doet, ontstaat er communicatie en zijn er oplossingen mogelijk. Als je mensen ontmoet met een open geest, dan kan er volgens mij weinig misgaan.”

All Posts
×

Almost done…

We just sent you an email. Please click the link in the email to confirm your subscription!

OKSubscriptions powered by Strikingly